Robert Motherwell
Welsprekende grondlegger van abstract expressionisme
Robert Motherwell was een Amerikaanse abstract-expressionistische schilder, graficus en redacteur van 'The Dada Painters and Poets: an Anthology'. Hij was een van de jongste leden van de New York School, waartoe ook Willem de Kooning, Jackson Pollock en Mark Rothko behoorden. Geschoold in de filosofie werd Motherwell vervolgens een kunstenaar die wordt beschouwd als één van de meest spraakvaardige woordvoerders en oprichters van de abstract-expressionistische schilders. Hij was bekend om zijn reeks abstracte schilderijen en prenten die politieke, filosofische en literaire thema’s aanraakten, zoals de Elegieën voor de Spaanse Republiek. Robert Motherwell werd geboren in Aberdeen, Washington, op 24 januari 1915, als eerste kind van Robert Burns Motherwell II en Margaret Hogan Motherwell. Het gezin verhuisde later naar San Francisco, waar Motherwells vader president was van de Wells Fargo Bank, maar keerde tijdens zijn jeugd elke zomer terug naar Cohasset Beach, Washington. Een andere in Aberdeen geboren persoon met een huis aan Cohasset Beach was Lance Wood Hart, schilder en tekenleraar, die Motherwells vroege mentor werd. Vanwege de astmatische aandoening van de kunstenaar groeide Motherwell grotendeels op aan de Pacifische kust en bracht het grootste deel van zijn schooljaren door in Californië. Daar ontwikkelde hij een liefde voor ruime ruimtes en heldere kleuren die later essentiële kenmerken werden van zijn abstracte schilderijen (ultramarijnblauw van de lucht en geel oker van de Californische heuvels). Zijn latere belangstelling voor thema’s rond sterfelijkheid kan eveneens worden teruggevoerd op zijn kwetsbare gezondheid als kind. Tussen 1932 en 1937 studeerde Motherwell kort schilderkunst aan de California School of Fine Arts in San Francisco en behaalde een BA in filosofie aan de Stanford University. Aan Stanford raakte Motherwell via zijn uitgebreide lectuur van symbolistische en andere literatuur – met name van Mallarmé, James Joyce, Edgar Allan Poe en Octavio Paz – bekend met het modernisme. Deze passie bleef bij Motherwell gedurende zijn hele leven en werd een belangrijk thema in zijn latere schilderijen en tekeningen. Op 20-jarige leeftijd maakte Motherwell een grand tour door Europa, vergezeld door zijn vader en zus. Ze begonnen in Parijs en reisden vervolgens naar Amalfi, Italië. De volgende bestemmingen waren Zwitserland, Duitsland, Nederland en Londen. De groep beëindigde hun tour in Motherwell, Schotland. Volgens Motherwell was de reden dat hij naar Harvard ging dat hij schilder wilde worden, hoewel zijn vader hem aanmoedigde een veiliger carrière te kiezen: ‘En uiteindelijk, na maanden van eigenlijk een koude oorlog, sloot hij met mij een zeer genereuze overeenkomst: als ik een doctoraat zou halen zodat ik in staat zou zijn om op een universiteit les te geven als economische verzekering, zou hij me voor de rest van mijn leven vijftig dollar per week geven om te doen wat ik maar wilde, uitgaande van het idee dat ik met vijftig dollar niet zou verhongeren, maar dat het ook geen aanlokkelijk genoeg bedrag zou zijn om er langdurig op te vertrouwen. Met die afspraak ging ik dus naar Harvard — het was eigenlijk het laatste jaar — want Harvard had toen nog steeds de beste filosofiefaculteit ter wereld. En aangezien ik mijn graad in filosofie had behaald aan Stanford en aangezien het hem niet uitmaakte waar mijn doctoraat precies in zat, ging ik naar Harvard.’ Aan Harvard studeerde Motherwell onder Arthur Oncken Lovejoy en David Wite Prall. Hij bracht een jaar door in Parijs om het werk van Eugène Delacroix te bestuderen, waar hij de Amerikaanse componist Arthur Berger ontmoette, die hem adviseerde zijn studie voort te zetten aan de Columbia University onder Meyer Schapiro. In 1939 nodigde Lance Wood Hart, destijds hoogleraar tekenen en schilderen aan de University of Oregon, Motherwell uit om hem in Eugene, Oregon, te assisteren bij het geven van zijn lessen gedurende een volledig semester. In 1940 verhuisde Motherwell naar New York om te studeren aan de Columbia University, waar hij door Meyer Schapiro werd aangemoedigd zich toe te leggen op schilderen in plaats van op wetenschappelijk onderzoek. Schapiro stelde de jonge kunstenaar voor aan een groep geëxileerde Parijse surrealisten (Max Ernst, Duchamp, Masson) en regelde dat Motherwell les zou krijgen van Kurt Seligmann. De tijd die Motherwell met de surrealisten doorbracht, bleek invloedrijk voor zijn artistieke proces. Na een reis in 1941 met Roberto Matta naar Mexico — op de boot ontmoette hij daar Maria Emilia Ferreira y Moyeros, een actrice en zijn toekomstige vrouw — besloot Motherwell schilderen tot zijn voornaamste roeping te maken. De schetsen die Motherwell in Mexico maakte, evolueerden later tot zijn eerste belangrijke schilderijen, zoals The Little Spanish Prison (1941) en Pancho Villa, Dead and Alive (1943). Matta introduceerde Motherwell bij het concept van ‘automatisch’ tekenen of automatisme, dat de surrealisten gebruikten om toegang te krijgen tot hun onbewuste. Dit concept had een blijvend effect op Motherwell, wat nog werd versterkt door zijn ontmoeting met de kunstenaar Wolfgang Paalen. Motherwells ontmoeting met Paalen bracht hem ertoe zijn verblijf in Mexico met enkele maanden te verlengen om met hem samen te werken. Motherwells beroemde Mexican Sketchbook weerspiegelt deze verandering visueel: terwijl de eerste tekeningen beïnvloed zijn door Matta en Yves Tanguy, tonen latere tekeningen, verbonden met Motherwells tijd met Paalen, meer vlakkige grafische ritmes en details die zich duidelijk onderscheiden van die uit de eerdere periode. Paalen stelde Motherwell ook voor aan André Breton via een brief. Motherwells baanbrekende reis naar Mexico is omschreven als een weinig bekende maar belangrijke factor in de geschiedenis en esthetiek van het abstract expressionisme. In 1991, kort voor zijn dood, herinnerde Motherwell zich een ‘samenzwering van stilzwijgen’ over Paalens vernieuwende rol in de oorsprong van het abstract expressionisme. Na zijn terugkeer uit Mexico besteedde Motherwell tijd aan het ontwikkelen van zijn creatieve principe gebaseerd op automatisme: ‘Wat ik besefte, was dat Amerikanen in potentie als engelen konden schilderen, maar dat er geen creatief principe bestond, waardoor iedereen die van moderne kunst hield deze gewoon kopieerde. Gorky kopieerde Picasso. Pollock kopieerde Picasso. De Kooning kopieerde Picasso. Ik zeg dit zonder voorbehoud. Ikzelf schilderde Franse intieme taferelen of iets dergelijks. En alles wat we nodig hadden, was een creatief principe, oftewel iets dat dit vermogen om op een creatieve manier te schilderen zou mobiliseren, en dat was precies wat Europa had en wij niet hadden; we hadden altijd hun sporen gevolgd. En ik dacht dat alle mogelijkheden van vrije associatie – omdat ik ook een psychoanalytische achtergrond had en de implicaties begreep – misschien de beste kans boden om echt iets volledig nieuws te maken, wat iedereen overeekomstig vond dat gedaan moest worden.’ Zo speelde Robert Motherwell begin jaren veertig een belangrijke rol bij het leggen van de fundamenten voor de nieuwe beweging van het abstracte expressionisme (of de New York School): ‘Matta wilde een revolutie, een beweging starten binnen het surrealisme. Hij vroeg mij om enkele andere Amerikaanse kunstenaars te vinden die konden helpen een nieuwe beweging op te starten. Toen zijn Baziotes en ik naar Pollock, de Kooning, Hofmann, Kamrowski, Busa en nog enkele anderen gegaan om te kijken of we met iets konden komen. Peggy Guggenheim, die ons mocht, zei dat ze een tentoonstelling zou organiseren van deze nieuwe onderneming. Daarom ben ik gaan rondlopen om iedereen de theorie van het automatisme uit te leggen, want de enige manier om een beweging te hebben was dat deze op een gemeenschappelijk principe berustte. Zo is het allemaal min of meer begonnen.’ In 1942 begon Motherwell zijn werk tentoon te stellen in New York en in 1944 had hij zijn eerste solotentoonstelling in Peggy Guggenheims galerij 'Art of This Century'; datzelfde jaar was het MoMA het eerste museum dat een van zijn werken aankocht. Vanaf het midden van de jaren veertig werd Motherwell de voornaamste woordvoerder van avant-gardistische kunst in Amerika. Zijn kring kwam te bestaan uit William Baziotes, David Hare, Barnett Newman en Mark Rothko, met wie hij uiteindelijk de Subjects of the Artist School (1948–1949) oprichtte. In 1949 scheidde Motherwell van Maria en in 1950 trouwde hij met Betty Little, met wie hij twee dochters kreeg. Motherwell was lid van de redactieraad van het surrealistische tijdschrift VVV en medewerker aan Wolfgang Paalens tijdschrift DYN, dat tussen 1942 en 1944 in zes afleveringen verscheen. Hij bewerkte ook Paalens verzamelde essays Form and Sense in 1945 als het eerste nummer van Problems of Contemporary Art. In 1948 voerde Motherwell het beeld uit dat zou blijken de kiem te zijn van de Elegieën aan de Spaanse Republiek, een van zijn bekendste werkreeksen. Tijdens 1947–48 werkte Motherwell samen met kunstcriticus Harold Rosenberg en anderen aan de productie van Possibilities, een kunstrecensietijdschrift. In dat laatste jaar creëerde Motherwell een beeld waarin Rosenbergs gedicht 'The Bird for Every Bird' was opgenomen, bestemd voor opname in het tweede nummer van het tijdschrift. De bovenste helft bestond uit een handgeschreven, gestileerde weergave van de laatste drie regels van het gedicht, en de onderste helft bestond uit een visueel element van ruw weergegeven zwarte ovaalvormige en rechthoekige vormen tegen een witte achtergrond. Het krachtige beeld was bedoeld om de gewelddadige beeldspraak van het gedicht op een abstracte, niet-letterlijke manier te 'illustreren'; daarom gaf Motherwell de voorkeur aan de term 'illuminatie'. Het tweede nummer van Possibilities kwam er niet, en Motherwell legde het beeld opslag. Hij ontdekte het ongeveer een jaar later opnieuw en besloot de basiselementen ervan te herwerken. Dit leidde tot de Elegieën aan de Spaanse Republiek, die Motherwell de rest van zijn leven bleef maken; enkele jaren later gaf Motherwell het oorspronkelijke beeld achteraf de titel Elegie aan de Spaanse Republiek nr. 1, erkennend dat het het beginpunt van de serie was. Een representatief voorbeeld is Elegie aan de Spaanse Republiek nr. 110 (1971), dat hetzelfde visuele motief gebruikt van ruwe ovaalvormige en rechthoekige vormen. De abstracte beeldtaal van de serie is geïnterpreteerd als een weergave van geweld in de Hispanische cultuur, niet noodzakelijk gerelateerd aan de Spaanse Burgeroorlog waarnaar de titel verwijst. Zo hebben Motherwell zelf en anderen de beelden vergeleken met de vertoning van de geslachtsdelen van een dode stier in de Spaanse stierenvechtarena. In 1948 richtten Motherwell, William Baziotes, Barnett Newman, David Hare en Mark Rothko de Subjects of the Artist School op aan 35 East 8th Street. De goed bezochte lezingen waren openbaar en spraken onder anderen Jean Arp, John Cage en Ad Reinhardt. De school faalde financieel en sloot in het voorjaar van 1949. Gedurende de jaren vijftig gaf Motherwell les in schilderen aan het Hunter College in New York en aan het Black Mountain College in North Carolina. Cy Twombly, Robert Rauschenberg en Kenneth Noland studeerden bij hem en werden door hem beïnvloed. In die periode was hij een productief schrijver en spreker en redigeerde hij, naast het leiden van de invloedrijke Documents of Modern Art-serie, ook The Dada Painters and Poets: An Anthology, dat in 1951 werd gepubliceerd. Van 1954 tot 1958, tijdens het uiteenvallen van zijn tweede huwelijk, werkte hij aan een kleine reeks schilderijen waarin de woorden ‘Je t’aime’ waren verwerkt, waarmee hij zijn meest intieme en persoonlijke gevoelens uitte. Zijn collages begonnen materiaal uit zijn atelier te bevatten, zoals sigarettendoosjes en etiketten, en werden daarmee verslagen van zijn dagelijks leven. Hij trouwde voor de derde keer, van 1958 tot 1971, met mede-abstracte schilderes Helen Frankenthaler. Omdat zowel Frankenthaler als Motherwell uit bemiddelde families kwamen en bekendstonden om hun weelderige feesten, werd het koppel ‘het gouden koppel’ genoemd. In 1958–59 werd Motherwell opgenomen in de tentoonstelling ‘The New American Painting’, geïnitieerd door het Museum of Modern Art, die door Europa reisde. In 1958 brachten hij en Frankenthaler een driedelige huwelijksreis door in Spanje en Frankrijk, waarin hij met een nieuwe energie begon te schilderen die hij toeschreef aan haar invloed. De serie Two Figures die hij dat jaar maakte, toont ‘de verhelderende kracht van Helens kleuren’ in zijn werk. In de jaren zestig exposeerde Motherwell veelvuldig in zowel Amerika als Europa en in 1965 kreeg hij een grote overzichtstentoonstelling in het Museum of Modern Art; deze tentoonstelling reisde vervolgens naar Amsterdam, Londen, Brussel, Essen en Turijn. In 1962 brachten Motherwell en Frankenthaler de zomer door in de kunstenaarskolonie in Provincetown, Massachusetts, waar de kustlijn de inspiratie was voor de serie ‘Beside the Sea’, bestaande uit 64 schilderijen, waarbij olieverf met volle kracht werd gespat om de branding te imiteren die tegen de kust voor zijn atelier aan rolde. Het ongetitelde olieverfschilderij op doek uit 1963 in de collectie van het Honolulu Museum of Art is kenmerkend voor deze fase in de loopbaan van de kunstenaar. In 1964 maakte Motherwell een muurschilderij getiteld Dublin 1916, with Black and Tan, dat deel uitmaakt van de Governor Nelson A. Rockefeller Empire State Plaza Art Collection in Albany, New York. De omvang en inhoud suggereren dat Motherwell een monument voor heldendom wilde creëren in de traditie van Picasso’s Guernica. In 1965 werkte Motherwell aan een andere prominente serie genaamd de Lyric Suite, vernoemd naar het strijkkwartet van Alban Berg. Motherwell herinnerde zich: ‘Ik ging naar een Japanse winkel om een speelgoedje te kopen voor het kind van een vriend, en zag dit prachtige Japanse papier en kocht er duizend vellen van. En ik nam toen, begin april 1965, het besluit dat ik de duizend vellen zou gebruiken zonder correcties aan te brengen. Ik stelde mezelf een absolute regel. Ik was bij 600 gekomen in april en mei, toen op een avond mijn vrouw en ik aan het diner waren en de telefoon ging. Het was Kenneth Noland in Vermont, die zei dat ik onmiddellijk moest komen. Ik vroeg: “Wat is er gebeurd?” En hij zei: “David Smith is in een ongeluk verwikkeld.”’ Smith, de beeldhouwer, was een vriend van Motherwell en Frankenthaler. Het stel reed haastig naar Vermont en arriveerde vijftien minuten nadat Smith was overleden. Motherwell stopte met werken aan de serie. Hij zei hierover: ‘En toen liet ik ze een jaar later allemaal inlijsten, en nu vind ik ze heel mooi. Ik moet ook zeggen dat ik ze half heb geschilderd en ze zichzelf voor de andere helft hebben geschilderd. Ik had eerder nog nooit rijstpapier gebruikt, behalve af en toe als element in een collage. En de meeste van deze zijn gemaakt met zeer kleine, ik bedoel zeer dunne lijnen. En dan keek ik verwonderd naar de vloer nadat ik klaar was. Het verspreidde zich als oliedruppels en vulde allerlei vreemde dimensies.’ In 1967 begon Motherwell met zijn Open-serie. Geïnspireerd door de toevallige nabijheid van een groot en een klein doek, hielden de Open-schilderijen Motherwell bijna twee decennia lang bezig. De Open-werken bestaan uit beperkte kleurvelden, onderbroken door minimaal weergegeven lijnen in losse rechthoekige composities. Naarmate de serie vorderde, werden de werken complexer en schilderachtiger, terwijl Motherwell de mogelijke variaties van deze gereduceerde middelen verkende. Eind jaren zestig gebruikte Motherwell Gauloises-pakjes en -dozen in veel collages, waaronder een uitgebreide serie waarin de pakjes werden omgeven door felrode acrylverf, vaak met ingekerfde lijnen in de geschilderde delen. In 1972 trouwde Motherwell met de kunstenares-fotografe Renate Ponsold en verhuisde naar Greenwich, Connecticut, waar ze woonden in een koetshuis met een hooizolder-atelier, een schuur en een gastenverblijf naast een grote studio—het geheel omgeven door parkachtige terreinen. In de jaren zeventig had hij retrospectieve tentoonstellingen in verschillende Europese steden, waaronder Düsseldorf, Stockholm, Wenen, Parijs, Edinburgh en Londen. In 1977 kreeg Motherwell een belangrijke opdracht voor een muurschildering voor de nieuwe vleugel van de National Gallery of Art in Washington, D.C. In 1983 werd een grote retrospectieve tentoonstelling van het werk van Motherwell, georganiseerd door Douglas G. Schultz, gehouden in de Albright-Knox Art Gallery in Buffalo, New York. Van 1983 tot 1985 werd deze tentoonstelling vervolgens getoond in grote musea: het Los Angeles County Museum of Art, het San Francisco Museum of Modern Art, het Seattle Art Museum, de Corcoran Gallery of Art en het Solomon R. Guggenheim Museum. Een andere retrospectief werd in 1991 getoond in Mexico-Stad, Monterrey en Fort Worth, Texas. In 1985 ontving Motherwell de Edward Macdowell-medaille. In 1988 werkte Motherwell samen met uitgever Andrew Hoyem van Arion Press aan een gelimiteerde editie van de modernistische roman Ulysses van James Joyce. Motherwell maakte 40 litho’s voor het project. Motherwell overleed op 16 juli 1991 in Provincetown, Massachusetts. Bij zijn dood liet Clement Greenberg, voorvechter van de New York School, geen twijfel bestaan over zijn waardering voor de kunstenaar en merkte op: ‘Hoewel hij vandaag onderschat wordt, was hij naar mijn mening een van de allerbeste schilders van het abstracte expressionisme.’ De Dedalus Foundation werd in 1981 opgericht door Robert Motherwell om het publieke begrip van moderne kunst en modernisme te bevorderen door ondersteuning van onderzoek, educatie, publicaties en tentoonstellingen. Toen Motherwell overleed, liet hij een nalatenschap na die toen werd geschat op meer dan 25 miljoen dollar en meer dan 1.000 kunstwerken, exclusief prenten. Zijn testament werd ingediend voor probaat in Greenwich en benoemde als executeurs zijn weduwe, Renate Ponsold Motherwell, en zijn langdurige vriend Richard Rubin, hoogleraar politicologie aan het Swarthmore College. Op 20 juli 1991 woonden enkele honderden mensen een herdenkingsdienst voor Motherwell bij op het strand voor zijn huis in Provincetown. Onder hen waren de schrijver Norman Mailer en de fotograaf Joel Meyerowitz, beiden zomerbewoners van Provincetown. Onder de sprekers was de dichter Stanley Kunitz, die een gedicht voorlas dat een favoriet was van Motherwell: 'Sailing to Byzantium' van William Butler Yeats. Andere aanwezigen waren familieleden, vrienden, andere kunstenaars en senator Howard Metzenbaum, een kennis van Motherwell.
Artworks by this artist (1 total)
- Collages 1968