George Bernard O'Neill
Schilder van charmante taferelen
George Bernard O'Neill was een productief Iers genreschilder, vanaf 1859 lid van de Cranbrook Colony of artists. O'Neill werd geboren in Dublin in Ierland, als negende van vijftien kinderen van een klerk bij de Dublinse Artillerie. Hij arriveerde in 1837 in Engeland, ging naar school in Woolwich en werd in 1845 toegelaten tot de scholen van de Royal Academy. Hij was een succesvolle student, exposeerde vanaf 1847 regelmatig bij de Royal Academy en verwierf faam als schilder van charmante vertellende taferelen. 'Het vondelingetje', geëxposeerd in 1852, toonde zijn kennis van werken van Oude Meesters gecombineerd met het aantrekkelijke onderwerp van een weeskind. In 1855 trouwde O'Neill met Emma Stuart Callcott, een nicht van John Callcott Horsley. Door dit huwelijk trad hij toe tot de kunstkring van Horsley en in 1859 werd hij voorgesteld aan de Cranbrook Colony. Het volgende jaar huurden George en Emma een middeleeuws vakwerkhuis, 'Old Wilsley House', op ongeveer een mijl afstand van de stad Cranbrook, en behielden het vele jaren als zomerhuis en atelier. Het werd het decor voor veel van O'Neills schilderijen. O'Neills artistieke stijl leek op die van Thomas Webster en Frederick Daniel Hardy. De nauwe relatie tussen O'Neill en Hardy kan worden beoordeeld aan de hand van hun kleine schilderij 'The Surprise', waarbij Hardy het interieur schilderde en O'Neill de figuur (Wolverhampton Art Gallery). Taferelen van het plattelandsleven - deugdzaam, onschuldig, soms licht komisch, soms sentimenteel - geschilderd op kleine huishoudelijke schaal, spraken klanten uit de middenklasse aan. Het hoogtepunt van zijn succes lag in de jaren 1850-1870, toen zijn werken gretig werden verzameld door industriëlen uit de Midlands en ondernemers uit andere industriële regio's van het land. Dit gevoel van openbaar succes werd tot uitdrukking gebracht in O'Neills schilderij 'Public Opinion', dat in 1863 in de Royal Academy was te zien (thans in de Leeds City Art Gallery). O'Neill hield ook een huis en atelier in Londen, waar hij de wintermaanden doorbracht en deelnam aan het artistieke leven van de hoofdstad. In de jaren 1870 raakte hij, samen met George Henry Boughton, bevriend met James McNeill Whistler en bood hem morele steun tijdens de jaren 1877-78, toen Whistler de criticus John Ruskin aanklaagde wegens laster. Hoewel O'Neills artistieke opvattingen in veel opzichten tegengesteld waren aan die van Whistler, geloofden beiden dat het esthetische doel van de kunstenaar geldigheid gaf aan een kunstwerk. De meeste schilderijen van O'Neill die geassocieerd worden met de Cranbrook Colony lijken op sentimentele afbeeldingen van kinderen en plattelandsgezinnen, maar ze kunnen bedoeld zijn geweest voor een serieuzer doel. In de daaropvolgende decennia namen de kwaliteit van zijn werken en hun populariteit aanzienlijk af. Hij stierf op 23 september 1917 in Londen, slechts twee maanden na zijn 88e verjaardag, en had in de laatste 24 jaar van zijn leven niet geëxposeerd.